Box 3 in 2025 en 2026: wat betekent dit voor spaarders?
Hoe wordt spaargeld in 2025 en 2026 belast in box 3? Lees meer over forfaitair rendement, heffingsvrij vermogen en het doorgeven van werkelijk rendement.

Spaargeld, beleggingen en andere bezittingen kunnen in box 3 van de inkomstenbelasting vallen. In 2025 en 2026 gebruikt de Belastingdienst hiervoor nog een tijdelijk systeem met forfaitaire rendementspercentages.
De Belastingdienst kijkt daarbij naar de werkelijke verdeling van je vermogen over banktegoeden, overige bezittingen en schulden. Vervolgens wordt per categorie met een vastgesteld rendementspercentage gerekend.
Daarnaast kun je onder voorwaarden je werkelijk behaalde rendement doorgeven. De Belastingdienst vergelijkt dan de forfaitaire berekening met de berekening op basis van werkelijk rendement en gebruikt de gunstigste uitkomst.
Wanneer valt spaargeld in box 3?
Bank- en spaartegoeden behoren in beginsel tot je bezittingen in box 3. Hieronder vallen onder meer:
betaal- en spaarrekeningen bij Nederlandse banken;
bank- en spaartegoeden bij buitenlandse banken;
deposito’s;
contant geld boven de daarvoor geldende vrijstelling;
het niet-vrijgestelde deel van groene spaartegoeden.
Voor de forfaitaire berekening kijkt de Belastingdienst naar je bezittingen en schulden op 1 januari van het belastingjaar. Dit wordt de peildatum genoemd.
Je betaalt niet rechtstreeks 36% belasting over je spaarsaldo. Eerst wordt een box 3-inkomen berekend. Over dat berekende inkomen betaal je het geldende box 3-tarief.
Hoe werkt het tijdelijke Box 3-stelsel?
Sinds 2023 wordt voor de forfaitaire berekening onderscheid gemaakt tussen verschillende vermogenscategorieën:
Banktegoeden: hieronder vallen onder meer betaalrekeningen, spaarrekeningen en deposito’s in Nederland en daarbuiten.
Beleggingen en andere bezittingen: hieronder vallen bijvoorbeeld aandelen, obligaties, crypto’s, een tweede woning en bepaalde overige vermogensbestanddelen.
Schulden: voor aftrekbare box 3-schulden geldt een afzonderlijk rendementspercentage.
De Belastingdienst vermenigvuldigt de waarde binnen iedere categorie met het bijbehorende forfaitaire percentage. Het rendement over aftrekbare schulden wordt vervolgens in mindering gebracht.
Daarna wordt rekening gehouden met het heffingsvrije vermogen. Alleen het gedeelte van de rendementsgrondslag boven deze vrijstelling wordt in de forfaitaire berekening belast.
Box 3 in 2025
Voor de forfaitaire berekening over 2025 gelden de volgende rendementspercentages:
Banktegoeden: 1,37%.
Beleggingen en andere bezittingen: 5,88%.
Aftrekbare schulden: 2,70%.
Het belastingtarief in box 3 bedraagt in 2025 36% van het berekende box 3-inkomen.
Het heffingsvrije vermogen bedraagt:
Zonder fiscale partner: €57.684.
Met fiscale partner: gezamenlijk €115.368.
Deze vrijstelling wordt niet rechtstreeks van het berekende rendement afgetrokken. De vrijstelling verlaagt eerst de grondslag sparen en beleggen. Vervolgens wordt bepaald welk gedeelte van het berekende rendement aan de belastbare grondslag kan worden toegerekend.
Box 3 in 2026
Ook in 2026 blijft het tijdelijke stelsel van toepassing. Voor de voorlopige aanslag 2026 gebruikt de Belastingdienst de volgende percentages:
Banktegoeden: 1,28%.
Beleggingen en andere bezittingen: 6,00%.
Aftrekbare schulden: 2,70%.
Het belastingtarief in box 3 bedraagt ook in 2026 36% van het berekende box 3-inkomen.
Het heffingsvrije vermogen bedraagt:
Zonder fiscale partner: €59.357.
Met fiscale partner: gezamenlijk €118.714.
De percentages voor banktegoeden en schulden op de voorlopige aanslag zijn voorlopige percentages. De definitieve fiscale verwerking vindt plaats bij de aangifte inkomstenbelasting over 2026.
In de voorlopige aanslag 2026 kan de Belastingdienst nog geen rekening houden met je werkelijk behaalde rendement. Is je werkelijke rendement uiteindelijk lager dan de forfaitaire uitkomst, dan kan dit bij de aangifte over 2026 worden verwerkt.
Wat is het werkelijk rendement?
Het werkelijk rendement is het rendement dat je gedurende het belastingjaar daadwerkelijk met je box 3-vermogen hebt behaald.
Bij spaargeld bestaat het werkelijk rendement in beginsel uit de ontvangen rente. Heb je daarnaast andere bezittingen in box 3, dan kunnen ook de volgende resultaten meetellen:
ontvangen dividend;
huurinkomsten;
waardestijgingen van beleggingen, crypto’s of onroerende zaken;
waardedalingen van deze bezittingen;
betaalde rente over box 3-schulden.
Het werkelijk rendement wordt over het totale box 3-vermogen berekend. Een verlies op de ene bezitting kan binnen hetzelfde jaar worden verrekend met een positief rendement op een andere bezitting.
Komt het totale werkelijke rendement onder nul uit, dan wordt het voor de tegenbewijsregeling op €0 gesteld. Een negatief werkelijk rendement kan niet naar een ander belastingjaar worden meegenomen.
Geen heffingsvrij vermogen bij werkelijk rendement
Een belangrijk verschil is dat bij de afzonderlijke berekening van het werkelijk rendement geen heffingsvrij vermogen wordt afgetrokken.
De Belastingdienst vergelijkt:
het forfaitair berekende box 3-inkomen, waarbij het heffingsvrije vermogen wel wordt verwerkt;
het werkelijk behaalde rendement over het totale box 3-vermogen, zonder toepassing van het heffingsvrije vermogen.
Daarom is de berekening met werkelijk rendement niet automatisch gunstiger, ook niet wanneer het werkelijke rentepercentage op je spaarrekening lager is dan het forfaitaire percentage voor banktegoeden.
Mag je kosten aftrekken van het werkelijk rendement?
Algemene kosten mogen bij de berekening van het werkelijk rendement meestal niet worden afgetrokken. Denk bijvoorbeeld aan transactiekosten, advieskosten of algemene onderhoudskosten.
Een belangrijke uitzondering is betaalde rente over een schuld die tot box 3 behoort. Deze rente kan binnen de regels voor het werkelijk rendement wel als negatief resultaat meetellen.
Hoe geef je het werkelijk rendement over 2025 door?
Vanaf belastingjaar 2025 kun je het werkelijk rendement rechtstreeks doorgeven in de aangifte inkomstenbelasting.
Bij de aangifte over 2025 vraagt de Belastingdienst of je het werkelijk rendement wilt invullen. Het doorgeven is niet verplicht. Kies je ervoor om het door te geven, dan berekent de Belastingdienst je box 3-inkomen op twee manieren:
met het forfaitaire rendement;
met het werkelijk rendement.
De Belastingdienst gebruikt vervolgens de voor jou voordeligste uitkomst. Door het werkelijk rendement in te vullen, ga je dus niet meer box 3-belasting betalen dan volgens de forfaitaire berekening.
Heeft het voor spaarders zin om werkelijk rendement door te geven?
Dat hangt af van de ontvangen rente, de hoogte van het vermogen, het heffingsvrije vermogen en eventuele andere bezittingen en schulden in box 3.
Heb je alleen spaargeld, dan bestaat het werkelijk rendement doorgaans uit de ontvangen rente. Het is echter niet voldoende om alleen je werkelijke rentepercentage met het forfaitaire percentage te vergelijken.
Bij de forfaitaire methode wordt namelijk rekening gehouden met het heffingsvrije vermogen. Bij de berekening met werkelijk rendement niet. Daardoor kan de forfaitaire berekening toch voordeliger zijn, zelfs wanneer je werkelijke spaarrente lager is dan het forfait voor banktegoeden.
De eenvoudigste manier om dit te beoordelen is door het werkelijk rendement in de aangifte in te vullen. De Belastingdienst maakt vervolgens automatisch de vergelijking.
Een vereenvoudigd voorbeeld
Stel dat iemand op 1 januari 2025 €100.000 aan spaargeld heeft, geen fiscale partner en geen andere box 3-bezittingen of schulden.
Bij de forfaitaire methode geldt eerst het forfait van 1,37% over het spaargeld. Vervolgens wordt het heffingsvrije vermogen van €57.684 verwerkt in de berekening van de belastbare grondslag.
Bij de methode op basis van werkelijk rendement wordt gekeken naar alle rente die gedurende 2025 werkelijk is ontvangen. Daarbij wordt geen heffingsvrij vermogen van het werkelijke rendement afgetrokken.
Welke methode het voordeligst is, hangt daardoor niet alleen af van het rentepercentage, maar ook van de omvang en samenstelling van het volledige box 3-vermogen.
Geldt box 3 ook voor spaargeld bij buitenlandse banken?
Ja. Woon je in Nederland, dan behoren bank- en spaartegoeden bij buitenlandse banken in beginsel eveneens tot je vermogen in box 3.
Een buitenlandse spaarrekening valt dus niet buiten de Nederlandse belastingheffing omdat de bank in een ander land gevestigd is.
Daarnaast kan in het land van de bank bronbelasting op de rente worden ingehouden. De fiscale behandeling daarvan staat los van de vraag of het spaargeld in Nederland tot box 3 behoort.
Wat gebeurt er vanaf 2028?
Het kabinet wil vanaf 1 januari 2028 een nieuw box 3-stelsel invoeren dat als hoofdregel uitgaat van werkelijk rendement.
De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 op 12 februari 2026 aangenomen. De Eerste Kamer behandelde het voorstel op 30 juni 2026, maar stelde de stemming uit in afwachting van aangekondigde aanvullende wetsvoorstellen.
De beoogde invoeringsdatum van 1 januari 2028 staat daardoor nog niet definitief vast. Totdat nieuwe wetgeving in werking treedt, blijft het tijdelijke forfaitaire systeem met de mogelijkheid van tegenbewijs van belang.
Wat betekent Box 3 praktisch voor spaarders?
Voor spaarders zijn vooral de volgende punten belangrijk:
controleer hoeveel vermogen je op 1 januari hebt;
tel tegoeden bij Nederlandse en buitenlandse banken bij elkaar op;
houd rekening met het heffingsvrije vermogen;
bewaar jaaroverzichten en renteoverzichten van je banken;
controleer hoeveel rente je gedurende het jaar werkelijk hebt ontvangen;
vul het werkelijk rendement in wanneer je wilt dat de Belastingdienst beide methoden vergelijkt;
kijk naast belasting ook naar rente, opneembaarheid en depositogarantie.
Een hogere spaarrente kan zowel je netto-opbrengst als je werkelijke rendement in box 3 verhogen. Dat betekent niet dat het ongunstig is om een hogere rente te zoeken: je houdt na belasting normaal gesproken nog steeds meer rente over dan bij een lager percentage.
Bekijk de rente en voorwaarden van verschillende aanbieders in het spaarrenteoverzicht van RevoSave. Voor geld dat je voor een vaste periode kunt missen, kun je ook de actuele depositorentes vergelijken.
Samengevat
In 2025 en 2026 gebruikt de Belastingdienst voor box 3 nog een tijdelijke forfaitaire berekening. Banktegoeden, overige bezittingen en aftrekbare schulden krijgen ieder een afzonderlijk rendementspercentage.
Voor 2025 bedraagt het forfait voor banktegoeden 1,37%. Voor de voorlopige aanslag 2026 wordt 1,28% gebruikt. Het belastingtarief bedraagt in beide jaren 36% van het berekende box 3-inkomen.
Vanaf belastingjaar 2025 kun je het werkelijk rendement in de aangifte doorgeven. Voor spaargeld is dit in beginsel de werkelijk ontvangen rente. Bij deze berekening geldt geen heffingsvrij vermogen, maar de Belastingdienst gebruikt uiteindelijk de voor jou voordeligste van de twee berekeningen.
Een nieuw stelsel op basis van werkelijk rendement is beoogd voor 1 januari 2028, maar de parlementaire behandeling is nog niet volledig afgerond.
Bronnen
Van uitleg naar vergelijken
Bekijk welke rente en voorwaarden bij je passen
Vergelijk actuele spaarrekeningen en deposito’s van Nederlandse en Europese banken.